Het zijn niet de schapen
die s’ avonds uit de hemel vallen
dan weide en water verkleden.
Misschien die open hand met
gekromde vingers grijpend
naar de spiegel van licht
glimmend in zijn zuiverste wit
zo breekbaar die doorzichtige
huid op graten gedragen.
Ook niet het vluchtende water
dat heen en weer roert
eindeloos verbonden aan maan
wel een spat uit zijn schuimende tuilen
wanneer hij zijn razernij
in krullen de hoogte in gooit
net voor zijn verslinken.
Het zijn niet de schapen
die s’ avonds uit de hemel vallen
dan weide en water verkleden.
Misschien die open hand met
gekromde vingers grijpend
naar de spiegel van licht
glimmend in zijn zuiverste wit
zo breekbaar die doorzichtige
huid op graten gedragen.
Ook niet het vluchtende water
dat heen en weer roert
eindeloos verbonden aan maan
wel een spat uit zijn schuimende tuilen
wanneer hij zijn razernij
in krullen de hoogte in gooit
net voor zijn verslinken.