Als jonge wijnstok ben ik opgegroeid
met aan mijn ranken telkens nieuwe bladen;
jaar op jaar heb ik met twijg en nerf gestoeid
en zocht naar onbekende frisse paden.
Ik werd een vlieg en vlinder na mijn jeugd
en vloog langs vele vreemde handen,
schiep mezelf en vond in feesten vreugd,
maar kwam in te bittere wijn te landen.
De dood nabij ben ik toch herboren,
hervond mijn oude glorie als godin:
mijn beeld een sprookje als nooit tevoren.
Een tweede kans gaf tijd en blad weer zin;
ik stoei opnieuw met lief aan al mijn ranken
en draag mijn trotse kleed langs open flanken.
Als jonge wijnstok ben ik opgegroeid
met aan mijn ranken telkens nieuwe bladen;
jaar op jaar heb ik met twijg en nerf gestoeid
en zocht naar onbekende frisse paden.
Ik werd een vlieg en vlinder na mijn jeugd
en vloog langs vele vreemde handen,
schiep mezelf en vond in feesten vreugd,
maar kwam in te bittere wijn te landen.
De dood nabij ben ik toch herboren,
hervond mijn oude glorie als godin:
mijn beeld een sprookje als nooit tevoren.
Een tweede kans gaf tijd en blad weer zin;
ik stoei opnieuw met lief aan al mijn ranken
en draag mijn trotse kleed langs open flanken.